Mad..

(geschreven door Caroline)

Op facebook was het langste gesprek tot nog toe een gesprek naar aanleiding van de vraag: “waarom zijn jullie boos? ik vraag me dat ècht af”.

Deze oprechte belangstelling kreeg zo’n 170 reacties.
Genoemd zijn: de bezuinigingen in de zorg, de neoliberale samenleving waarin armen armer worden en alles draait om meedoen in de arbeidsmolen, isoleercellen en dwangmedicatie en nog veel meer.

1 Hoe boos kan ik zijn, zonder dat ik daar zelf hinder van ondervind?
2 Hoe boos moeten we worden om bestendig verandering te bewerkstelligen?
Dat werden mijn ‘werkvragen’.

Te boos maakt soms dat ik te weinig rust of afstand neem, en niet boos genoeg versuft en maakt m’n arbeidsleven (om nog maar even in die termen te denken) saai en zinloos.

Vraag 2 kwam de afgelopen dagen veel aan de orde. Onder andere in gesprekken op het Filosofestival, en op een spontane ontmoeting bij Enik recovery college.
Aan de ene kant kan een bundeling van alle organisaties die zich met inclusie, discriminatie, eerlijke verdeling van geld en nog veel meer wellicht een grotere actie op touw zetten dan alle losse acties die we de afgelopen jaren meemaken.
Aan de andere kant is de dialoog en het elkaar leren kennen belangrijk, en dat gaat het best in kleinere locale organisaties.

Boos. Ja, met mate(n).

Trots..

(geschreven door Caroline)

Ergens ben ik wel trots dat ik de gekte van de wereld zie, van deze maatschappij. Als kind al vond ik dingen zoals liegen en discriminatie onbegrijpelijk. En dat meisjes rokken droegen en met hun communie op Aruba als bruidjes gekleed gingen. Dat de jongetjes achter een hoog hek op een andere school zaten. Dat de nonnen zeiden dat god ons in de gaten hield. Dat mensen zeiden dat ik niet spoorde in m’n pubertijd, alleen maar omdat ik me de ene week anders gedroeg dan de andere.
Psychoses, althans de mijne, zie ik als pogingen om de ware waarden en betekenissen van het leven te ontdekken. Een deel van de belevenissen erin, niet alles. Op sommige dingen die gebeurd zijn, ben ik helemaal niet trots.
Depressies vind ik momenteel ingewikkelder. Ze kwamen soms als een reactie op onrechtvaardigheden in werksituaties. Dat m’n strijd niet lukte tegen een aantal regels of een directeur maar later er wel wat dingen veranderden die ik had aangezwengeld. Die katalysator rol, dat is wel mooi.
Maar de schuldgevoelens die er soms bij komen zijn ziek. Zijn die ontstaan doordat ik me niet conform de normen van de maatschappij gedraag?
Ik heb ontdekt dat ook in somberheid leerprocessen zitten, al lijkt de tijd stil te staan. Vaak dringt erna door waar het om draaide. En uit de bevroren tijd komen, lukt vaak door contact. Met de mooie wereld en mensen om me heen.

Dus trots in de zin van ‘liever gek dan aangepast’ en ‘liever gevoelig voor stemmingswisselingen dan ongenaakbaar’, ja.

Mad Pride (voor mij) 2

(geschreven door Kevin)
Twee jaar geleden raakte ik op de hoogte van het initiatief op een Mad Pride beweging leven in te blazen. Dat leek mij een geweldig idee. Een positieve benadering rond gekte. Een benadering die gekte niet als een gebrek ziet, maar als een eigenschap die gevierd mag worden, ja, misschien wel als een kwaliteit. Wat zou het mooi zijn om nu eens niet in termen van stoornissen te praten. Is het niet genoeg om anders dan normaal te zijn? Ik heb genoeg redenen gehad om tot nadenken gestemd te worden over mijn eigen gekte. Er zijn momenten geweest die een enorme impact op mij hadden. Daarbij denk ik aan het moment dat ik mijn handtekening moest zetten onderaan een behandelplan om toegelaten te worden tot een dagbehandeling van een jaar voor persoonlijkheidsproblematiek. Er stonden vijf à zes diagnoses uit de DSM-IV op een rijtje. Voor mijn gevoel stond op dat papier: je bent gek. En dat moest ik ondertekenen! Het voelde als een soort vonnis dat ik zelf bekrachtigde. Het heeft jaren geduurd voordat ik die etiketten een beetje kon laten varen, hoewel ik er een paar jaar later weer een bij kreeg. Inmiddels ben ik een paar opnames verder en inmiddels nog nooit zo lang stabiel geweest. De gekte laat het een beetje afweten, maar ik zit er ook niet op te wachten. Want het duurt zo ontzettend lang voordat je weer een beetje hersteld bent van een (manische) psychose. Toch wachtten me na de laatste ontregeling weer nieuwe uitdagingen – stabiel blijven lukt me nu wel (heb even geen ongelakt hout in de buurt om op af te kloppen). Maar goed, een nog grotere uitdaging zie ik in mijn grootste vijand: angst. Angst om assertief te zijn, angst om grenzen aan te geven, angst voor conflicten. Dat loopt soms zo hoog op dat ik mij weken isoleer. Totdat de eenzaamheid groter en sterker wordt dan de angst. Pijn kan motiveren en doet dat ook. Op het moment leer ik veel van Eckhart Tolle’s De kracht van het NU. Helaas zit ik nog midden in die persoonlijke processen die je ervan kunnen weerhouden een meer maatschappelijke koers te varen. Gelukkig ben ik al tien jaar lid van een clubhuis voor mensen met een psychiatrische achtergrond. We zijn hier allemaal heel normaal met elkaar, en af en toe een beetje gek. Trots op ons clubhuis ook, dat we te danken hebben aan die gedeelde gekke achtergrond. Mad. Pride. Mad Pride.

“Ik ben gek, maar…”

(geschreven door Leendert A. Hartog)

“Gek” is een vage term. Één definitie ervan, die ik aan een online woordenboek ontleen is “blijkgevend van gebrek aan gezond verstand”. Dat lijkt een alleszins bruikbare definitie, hoewel de formulering “gezond verstand” natuurlijk wel wat vraagtekens oproept. “Gezond” is in principe namelijk net zo’n vaag begrip als “gek”. Maar laten we er voor het gemak even vanuit gaan, dat “blijkgevend van gebrek aan gezond verstand” een adequate definitie is. Er zijn momenten in mijn leven, waarin ik “blijk geef” van een “gebrek aan gezond verstand”, zeker als ik zwaar psychotisch ben. Maar er zijn gelukkig ook heel veel periodes in mijn leven, waarin het “gezond verstand” wel degelijk mijn leven bepaalt. Ik ben nog altijd vaker en langer niet-psychotisch dan wel.

De term “gek” zou dan dus enkel van toepassing zijn op die fases in mijn leven, dat ik wel psychotisch ben. Maar toch ziet mijn omgeving mij altijd als “gek”, ook wanneer ik helemaal niet psychotisch ben. Het feit, dat ik af en toe “ontspoor” rechtvaardigt in hun ogen de kwalificatie “gek” op permanente basis. “Gek” is een uiterst hardnekkig label, dat aan je blijft kleven, zelfs als je al jaren niet meer doorgedraaid bent. De definitie, die ik eerder gaf, is dus helemaal niet zo toereikend. Zelfs een tijdelijk “gebrek aan gezond verstand” blijkt voldoende om iemand voor de rest van zijn of haar leven als “gek” te bestempelen.

Een “gek” is dan dus opeens iemand, die “af en toe blijk geeft van een gebrek aan gezond verstand”. Of zelfs iemand, die slechts één keer in zijn of haar leven “blijk heeft gegeven van een gebrek aan gezond verstand”. Je raakt het label niet zo snel meer kwijt. Eens een gek, altijd een gek, lijkt het devies. Dat verklaart dan ook, waarom de meeste psychiatrische patiënten zich zo fel verzetten tegen deze kwalificatie.

De hardnekkigheid van het label staat het herstel in de weg, omdat je steeds weer opnieuw geconfronteerd wordt met het feit, dat je ooit, hoelang geleden ook, je “gezond verstand” (tijdelijk) bent kwijtgeraakt. “Ik ben niet gek!” is een veelgehoorde uitspraak van psychiatrische patiënten in hun zelfomschrijving. “Ik ben niet gek!” is al bijna een soort mantra geworden van de herstelbeweging.

Maar er is een ander en veel groter probleem met de term “gek” en die heeft niets met de strikte definitie van het begrip te maken. Wat de term “gek” zo problematisch maakt, zijn de vele negatieve connotaties, die we aan het begrip verbinden. Iemand, die “gek” is, is onvoorspelbaar, onbetrouwbaar en bovenal gevaarlijk.

De vooroordelen, die aan de term gekoppeld zijn, zijn zo mogelijk nog veel hardnekkiger dan het label zelf. Iemand, die “gek” is verklaard, wordt gezien als een “tikkende tijdbom”, die zonder een duidelijke aanleiding zo maar af kan gaan. Het is dus, vanuit dat perspectief bezien, noodzakelijk, om de “gek” altijd goed in de gaten te houden, om er tijdig bij te kunnen zijn, als hij of zij (weer eens) ontspoort. Een “gek” vertrouwen is daarom een groot probleem voor de meeste mensen.

In het licht van dit alles, is het wellicht bevreemdend, dat ik mijzelf nu juist wel “gek” noem. Mij is in de loop der jaren gebleken, dat de “ik ben NIET gek!”-strategie niet werkt, omdat mijn omgeving mij toch altijd als “gek” zal blijven zien. Volgens mij moeten we niet ontkennen, “gek” te zijn, maar moeten we het begrip juist omarmen, moeten we onszelf het begrip eigen maken en vervolgens actie ondernemen tegen de kwalijke connotaties, die aan het begrip kleven.

Door het statement “Ik ben gek!” als uitgangspunt te gebruiken, kunnen we de vooroordelen, die met “gek”-zijn geassocieerd worden, eindelijk bespreekbaar maken. “Ik ben gek, maar ik ben niet gevaarlijk!” is een mooie binnenkomer. Ik kan niet verhinderen, dat de anderen mij altijd als “gek” zullen blijven zien, hoe vaak en hoe luid ik ook mag blijven roepen niet “gek” te zijn. Maar door nu juist te beamen, dat ik inderdaad wel “gek” ben, zet ik de ander op het spreekwoordelijke verkeerde been en open ik de deur naar een mogelijkheid om eindelijk met de ander in gesprek te komen over de vooroordelen en misverstanden, die aan de term kleven.

“Ik ben gek, maar…” is een gewaagde strategie, die ongetwijfeld op weerstand zal stuiten, maar in mijn geval werkt deze aanpak al jaren verbazingwekkend goed. Door te beamen “gek” te zijn, ontneem ik de ander zijn of haar eerste munitie. Vervolgens kan ik vaak heel snel doordringen tot de vooroordelen, die mensen bij de term “gek” met zich meedragen. Ik gebruik deze strategie dan ook hoofdzakelijk , om meteen “to the point” te komen en de ander ervan te overtuigen, dat hij of zij ondanks mijn ziekte zeker niet bang voor me te hoeft te zijn.

“Ik ben gek, maar…” is een manier, om het taboe te doorbreken, dat op “gekte” rust en de term en zijn betekenis nu juist bespreekbaar te maken. Door het gesprek op deze manier in te gaan, heb ik veel geleerd over de vooroordelen en misverstanden, die de meeste mensen met zich meedragen, als de term “gek” ter sprake komt. En juist door het hanteren van deze strategie en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid om zaken al in een vroeg stadium van het contact expliciet te benoemen en bespreekbaar te maken, lukt het me steeds beter, om andere mensen te doordringen van het feit, dat ik weliswaar “gek” ben, maar bijvoorbeeld niet gevaarlijk. En dat is pure winst. Natuurlijk schrik ik er ook mensen mee af, maar dan weet ik wel meteen, dat ik me verder geen moeite hoef te doen, om verder in contact met hen te investeren.

Gek. Eigenlijk had ik al afgeleerd om mezelf zo te noemen.

(geschreven door Boudewijn Steenberg)

Gek.

Eigenlijk had ik al afgeleerd om mezelf zo te noemen.

En nu zit ik bij een organisatie die Mad Pride heet.

Gek, zo noemde ik mezelf vroeger. Toen ik 15 was, en opgenomen in het gekkenhuis. Op eigen verzoek.

En zo mocht ik het niet noemen, een gekkenhuis, en mezelf al helemaal niet gek. Maar voor mij was het een verademing, om zo naar mezelf en de plek waar ik toen verbleef te kijken. Een verklaring, voor het feit dat ik zo anders was, waarom het op school niet lukte, waarom het daar wel lukte. Ik voelde me beter, er kwam minder op me af. Waarom me zorgen maken, ik was toch gewoon gek.

Maar dat wou er dus niet in bij die mensen, en misschien maar goed ook. Ik mocht mezelf niet zo afdanken. Ik was niet gek, ik was anders, en dat maakte mij nog speciaal ook, want dan zou ik weer hele eigen kwaliteiten hebben.

Nou speciaal ben ik inderdaad, maar het positieve daarvan moet ik nog steeds ontdekken.

Volgens mij had de ggz die fase waarin ze mensen vol stopten met pillen al een beetje gehad, want mij wilden ze die niet geven. En ik wou ze zo graag, ik was gewoon gek, er zat iets verkeerd in mijn hoofd, en alleen pillen konden dat repareren. Maar dat zag de ggz anders. Misschien maar goed ook, maar ze wonnen niet echt vertrouwen bij mij door het zo anders te zien. En uiteindelijk kreeg ik antipsychotica, omdat ik onrustig in mijn hoofd was. Achteraf weet ik dat ik toen helemaal niet onrustig in mijn hoofd was, het is heel normaal voor een tiener om zich zo te voelen. Ik denk dat ze me die pillen gaven omdat ze als ongevaarlijk beschouwd worden. Zelf weet ik nu dat de balans in de hersenen heel gecompliceerd is, en geen enkel psychoactief middel als simpelweg ongevaarlijk beschouwd kan worden.

Antipsychotica bijvoorbeeld, blijken ernstige lange termijn gevolgen op algeheel hersenfunctioneren te hebben. En daar hebben ze nog niks positiefs aan kunnen ontdekken. En ik heb dat spul bijna 2 jaar lang gebruikt.

Maar veel erger is wat ik mezelf nu al 10 jaar aan doe, ik gebruik cannabis. Dagelijks. Ik ben verslaafd. Ernstig. Dat cannabis negatieve gevolgen heeft bij lange termijn gebruik hebben ze nu ook al wel afdoende bewezen. En ik bewijs dat elke dag weer aan mezelf, en dat doe ik ook, helemaal zelf.

De hulpverlening heeft mij in 10 jaar nauwelijks geholpen, en ik denk dat ze veel meer hadden kunnen doen. Voor mij, en voor mijn moeder. Maar ze begrepen ons niet. Denk ik, want ik begrijp het ook allemaal niet.

Het voelt allemaal zo oneerlijk, zo onrechtvaardig. Alleen maar omdat ik anders ben heb ik zo weinig. Ik verdien evenveel als de rest zeggen ze, maar ik krijg het niet. Ik ben 90 procent van de tijd down of in ieder geval ontevreden.

Ik probeer meer kwaliteit in mijn leven te krijgen. Ik doe mijn best, en als ik me afvraag of ik wel genoeg mijn best doe, zeggen mijn hulpverleners dat het niet aan mijn inzet ligt. Maar er voor gaan, mijn best doen, dat is heel moeilijk voor mij. Dus blijf ik me altijd afvragen of ik wel genoeg mijn best doe.

Ik heb nog steeds geen sociaal netwerk waar ik blij van wordt, ik kan nog steeds niet goed voor mezelf zorgen, en ik heb nog steeds niet echt een doel, een passie, een zingeving.

Maar ik ben niet gek.

Dus ik moest ook even wennen aan de naam Mad Pride. Want ik ben niet gek, en al helemaal niet trots op wat ik als mijn gekte beschouwde.

Maar trots heb ik wel. Een klein vlammetje van binnen. En soms wordt het aangewakkerd door iemand die om mij geeft, die mijn strijd tegen het lijden ziet, en wou dat hij wat voor mij kon doen. Die ziet hoe weinig ik vooruit ga, maar wel de lange weg die ik afleg om die vooruitgang te maken. Die ziet hoe ik alles heb overleefd, en dat ik dat nog steeds doe.

Ik wou dat ik mensen kon helpen om niet door zo’n hel te gaan als waar ik doorheen ga. Om eerlijk te zijn snap ik niet dat ik er nog steeds ben. En vaak vind ik dat ook jammer. En toch denk ik steeds meer aan leven en steeds minder aan de dood.

Ik kan wat betekenen bij Mad Pride Ik kan opkomen voor mezelf en voor anderen. Niet iedereen krijgt gelijke kansen, en dat, tenminste, verdienen we wel allemaal. Het ideaal van de welvaartsmaatschappij. En dat ideaal, daarom, zit ik bij Mad Pride.

Het maakt me niet uit hoe ziek of raar je bent. Het maakt me niet uit dat ik of anderen, jou niet begrijpen, dat we elkaar misschien niet liggen. Het maakt me niet uit wat je allemaal over jezelf denkt, wat voor verschrikkelijke dingen je zijn overkomen of misschien zelfs hebt gedaan. Het maakt me niet uit. Ik wil dat ook jij de kansen krijgt die jij nodig hebt om het leven als echt waardevol te ervaren.

Of je nou mad bent, of pride hebt, of geen van beide, wees welkom bij Mad Pride. De naam is maar een naam. Ik ben niet gek, niet trots, en ik doe zelfs mijn best om niet boos te worden. Want die gevoelens helpen mij niet. Wat mij helpt is accepteren wat ik doe, en dat langzaamaan te veranderen.

Maar ik wil wel vechten tegen ongelijkheid, en daarom ben ik bij Mad Pride.

Ik ben nooit gek genoeg geweest.

(geschreven door Sanne la Sense)

Mijn gekte is een levenslange preoccupatie met het vinden van een legitimatie voor mijzelf, en een vlucht van de blik van de ander die mijn tekorten ziet en mij fixeert in een beeld van mij in deze onaffe staat. Mijn gekte is een levenslange preoccupatie met het vinden van de redenen van mijn tekort, en een vlucht in redenen die dit tekort tot een oplosbaar probleem moesten maken. Mijn gekte is nooit gek genoeg geweest om zich los te maken van redenen, ze bestond slechts uit gedachten dat mijn denken niet voldeed om te kunnen bestaan. Desalniettemin zat ik met een rest van simpelweg in leven zijn en wat daarmee te doen als ik niet kon bedenken wat, en het liever zonder lichaam zou stellen? Veel te serieus was ik, bang om gek te zijn.

Mijn gekte heeft een hanteerbaar aantal namen gekregen, is in de meeste gevallen 'gewoon' 'normaal' genoemd, hoewel er vaak toch 'iets' was dat me belemmerde 'normaal' 'mee te doen'. Mijn persoonlijkheid, waarschijnlijk, of het gebrek aan een stofje in mijn hoofd. Het label van een 'echte' 'psychiatrische stoornis' of 'psychische aandoening' heb ik nooit lang gedragen, tenzij met de woorden 'licht' of 'een beetje' ervoor. Niets waar ik niet overheen kon komen, als ik maar wist waarheen of waartoe en waarom dat niet 'gewoon' kon zijn. Gewoon is gewoon, zoals ieder een beetje normaal denkend persoon in Nederland. Ook anders zijn is in Nederland gewoon. Als je maar een beetje normaal doet, er niet teveel een punt van maakt. Het maakt niet uit wie je bent.

Ik slikte anti-depressiva, een steuntje in de rug voor iemand met mijn persoonlijkheid en mogelijk gebrek aan een stofje in haar hoofd. Op een zeker moment riep mijn huisarts mij ter verantwoording over het zomaar toedienen van een stofje, terwijl mijn somberheid gewoon een kwestie van persoonlijkheid was. Leer er maar mee leven, en de groeten. Dat ik dit al mijn hele leven probeerde, ja, net als iedereen. Alleen. En mijn enige probleem was dat ik dacht dat er iets aan mij niet klopte, terwijl ik 'eigenlijk' 'gewoon' 'normaal' was. Alleen wat somber, alleen wat teveel gedachten, alleen te serieus.

'Normaal' en 'somber' horen voor mij onlosmakelijk bij elkaar. Het Nederlandse cultuurgoed van 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' en 'gezelligheid', dat bij velen ongetwijfeld (ook) warme herinneringen oproept, herinneren mij aan het onbehaaglijke gevoel dat ik als kind had dat er iets niet klopte. Er leek niets aan de hand, maar ondertussen werd er geoordeeld. Gezellig samen eten bijvoorbeeld, terwijl er ondertussen gepraat werd over dik zijn en diëten. Gezellig Sinterklaas vieren, met de dreiging van de man met zijn grote boek, en de Pieten die je onder druk zetten leuk mee te doen en als je niet uitkeek pepernoten tegen je hoofd smeten of je belachelijk maakten voor de hele klas. Ik had geen notie van racisme, maar die witte man met die baard vertrouwde ik niet en al die geforceerde gezelligheid, waarbij ik ook dankbaarheid diende te tonen voor cadeaus waar ik niet om gevraagd had, maakten me wel bang.

Bij gewoon doen hoort ook: niet trots zijn. Trots is arrogant, trots is denken dat je wat bent, terwijl je maar gewoon bent, niet beter dan een ander, maar beter minder dan meer.
 Ik ben niet gewoon, ik ben niet gek genoeg. Trots wil ik zijn op wat gek is aan mij en hoe ik daar mee omga en dat leer (uit)dragen in het gewone bestaan.

Mad Pride (voor mij)

 

(geschreven door Nele Camargo)

met respect voor al diegenen die af en toe verdwalen in madness, wiens leven er door overhoop werd gehaald. 
Dit is wat ik over Mad Pride kan delen en het is nodig, denk ik, dat ik dat doe.
Toen ik nog jong was, puber, adolescent, adopteerde ik de titel 'gek' als een compliment. 
Mijn lijfspreuk was, “ ik zie ze vliegen, maar kan ze nog niet altijd vangen.... geen nood, oefening baart kunst. “
Ik nam me toen voor, altijd gek genoeg te blijven om in staat te zijn die dingen te doen waardoor de wereld een beetje mooier kon worden, zonder me af te vragen wat men van me zou denken.
Toen was dat soms simpelweg in een grote stationshal op de prachtige vloer gaan zitten en in de akoestiek van dat gebouw een liedje te zingen. 
Ik geloof dat ik dat trouw ben gebleven, steeds meer uitgaand van wat ik voelde dat nodig was, daar waar ik was, op het moment dat ik er was. 
Het heeft mijn leven niet makkelijk gemaakt en de madness heeft zich ook vaak met boosheid een uitdrukking gezocht, gebruikmakend van mijn talent: een beweeglijke geest die graag met woorden een beeld maakt tot het de werkelijkheid weerspiegelt die ik wil aankaarten of in het licht brengen. 
Mijn kinderen hebben het niet makkelijk gehad met mij. Ze vinden waardevol hoe ik denk en daar vorm aan gaf, maar het heeft ons in deze wereld in moeilijkheden gebracht die we nog steeds niet overwonnen hebben. 
Ik kon niet anders dan er trouw aan te blijven. Wie anders gaat de wereld vertellen wat ik zie van de gekte van die wereld.
Proudness of Madness, 
ja, dat is wat ik toch echt wel voel. 
Het is de trots waarmee je de wereld mooier maakt, 
dankzij of ondanks de madness, 
afhankelijk vanuit welke hoek je komt. 
Maar Madness it will be, 
tot die wereld een beetje is genezen.

“Trots”, een persoonlijke visie

(geschreven door Leendert A. Hartog)

Een slogan als "Mad Pride" roept bij velen wellicht weerstand op. Hoe kun je in vredesnaam trots zijn op je "gekte"? Voor de meeste mensen is "gekte" immers uiterst negatief beladen. "Gekte" dient immers onderdrukt te worden, het doel is toch "normaal" te zijn. Maar we kunnen niet ontkennen, dat we anders zijn. "Gekken" kunnen hun hele leven lang proberen zich aan te passen aan de overal en altijd gepropageerde "normaliteit", maar dat zorgt er dan wel voor, dat iedere dag weer een gevecht is met het keurslijf van een vaag gedefinieerde norm. Vooral niet opvallen lijkt het devies.

Zelf heb ik jarenlang geworsteld met mijn ziekte. Aan het begin van mijn "carriѐre" als psychiatrische patiënt werd mij door een hulpverlener te kennen gegeven, dat mijn diagnose betekende, dat mijn leven eigenlijk wel voorbij zou zijn en dat ik er rekening mee moest houden en er maar vrede mee moest sluiten, dat ik de rest van mijn leven in een behandelafdeling voor mensen met schizofrenie zou moeten doorbrengen. Een tijdlang heb ik dat ook daadwerkelijk geloofd, hetgeen me in een langdurige extreme depressie heeft doen belanden. Maar toen ik me daar eindelijk aan heb weten te ontworstelen, kon ik er een begin mee maken, tegen de welhaast apocalyptische prognose in toch nog iets van mijn leven te maken. Dat was zeker niet gemakkelijk en ik vecht nog iedere dag, maar ik heb wel het beklemmende gevoel, dat mijn leven inderdaad voorbij zou zijn, weten te onderdrukken.

Ik schaam me niet voor mijn ziekte. Ik heb geleerd te accepteren, dat zij een mijn leven in hoge mate mede bepaalt, maar dat ik beduidend méér te bieden heb dan het psychiatrische label zou doen vermoeden. Ik ben er eigenlijk best trots op, dat ik me aan het vernietigende oordeel, als zou mijn leven voorbij zijn, heb weten te ontworstelen. Ik ben er niet trots op, dat ik om de zoveel tijd doordraaide en de weg kwijtraak, maar ik ben er wel verschrikkelijk trots op, dat ik de weg überhaupt heb weten te vinden, een waardevol leven ondanks mijn beperkingen.

"Mad Pride" is voor mij de trots, die ik voel omdat ik mij er niet onder heb laten krijgen, dat ik nog steeds iedere dag de strijd aan durf te gaan met het vernietigende oordeel, dat mijn leven voorbij zou zijn vanwege mijn ziekte.