Kind (13) getaserd door politie Amersfoort

Het bericht van de Amersfoortse politie die een 13 jarig kind te lijf ging met een taserpistool, roept bij ons veel vragen op. Is dit wel de juiste manier is om met kinderen om te gaan die een psychische kwetsbaarheid hebben?

Was het kind agressief? Of stond hij daar sprakeloos en verstijfd van angst? Hij had een mes in zijn hand, maar wou hij iemand verwonden, of voelde hij zich ernstig bedreigd en gaf dat mes hem een stukje houvast? Wat ons opvalt is dat de jongen zo hard in het mes kneep dat zijn knokkels wit werden. We vermoeden dat het kind doodsbang was, zoals gebruikelijk is bij mensen met acute zorgnood. Hij zal dus niet aanvallen zolang hij niet geprovoceerd wordt.

Met 3 man sterk, een schild, politiehond, taserpistool en geweer had de politie voldoende mogelijkheden zich te verdedigen tegen de dertienjarige. We gaan er vanuit dat de politie, voor haar eigen veiligheid, voldoende afstand bewaarde tot de jongen en genoeg tijd zou hebben om in te grijpen als dat echt nodig was. De situatie was op dat moment onder controle. De politie had dus het gesprek aan kunnen gaan. Om rust te creëren, een luisterend oor te bieden en zijn angst weg te nemen. In plaats daarvan schreeuwde de politie herhaaldelijk tegen het doodsbange kind om zijn mes weg te leggen. Het enige dat hem nog een beetje veiligheid bood. Toen de jongen besloot weg te gaan, kreeg hij stroomstoten en is hij overmeesterd.

Hoe traumatisch is dit voor het kind geweest? Staat de politie wel stil bij het psychisch letsel dat ze hiermee aangericht hebben? Hij is overgebracht naar een voor hem onbekende locatie, alwaar hij vermoedelijk ‘rustgevende’ medicatie krijgt. Of hij ook de rust en veiligheid krijgt waar hij om vroeg, betwijfelen we.

We zijn blij dat de kinderrechtenorganisatie Defence for Children zich inmiddels uitgesproken heeft tegen deze aanpak. We hopen dat meer organisaties hun voorbeeld volgen en dat de politie onderzoekt hoe ze dit soort escalatie in de toekomst kunnen voorkomen.

Verwarring alom

(geschreven door Leendert A. Hartog)
(Noot: ingekorte versie van een persoonlijke blogpost van vorig jaar)

Bij de benadering van het probleem omtrent “verwarde mensen” en natuurlijk ook bij de benadering van de “verwarde mensen” zelf, dienen we onze vooroordelen opzij te zetten en een helder onderscheid te maken tussen drie factoren: overlast, dreiging en gevaar. We gooien deze drie dingen namelijk maar al te gemakkelijk op één hoop en gaan er dus ook te gemakkelijk vanuit, dat iedereen, die gek doet, dan ook meteen bedreigend en gevaarlijk is. Daarmee doen we een heleboel “verwarde mensen”, die enkel opvallen en eventueel voor overlast zorgen onrecht en zijn we er veelal zelf verantwoordelijk voor, dat relatief onschuldige overlast omslaat naar dreigende en/of daadwerkelijk gevaarlijke situaties.
Onze reactie op de overlast, die de “verwarde mens”, waar we mee geconfronteerd worden, is namelijk vaak genoeg de feitelijke reden, waarom situaties escaleren. Daarom is het inderdaad meestal geen goed idee, om de politie als eerste op een dergelijke situatie af te sturen. Dat is namelijk in de meeste gevallen pure “overkill”, waarop de “verwarde mens” averechts kan reageren, hetgeen voor dreigende situaties en uiteindelijk zelfs daadwerkelijk gevaar kan zorgen. Het gezegde “een kat in het nauw maakt rare sprongen” lijkt hier wel van toepassing, in de wetenschap, dat de “rare sprongen” van een “verwarde mens” wel heel erg raar kunnen zijn.
Zodra de “verwarde mens” het gevoel krijgt, agressief bejegend te worden, ligt een agressieve reactie van zijn of haar kant helaas op de loer en op de hand. En dat is weliswaar niet goed te praten, maar is, zo vergeten wij nog maar al te vaak, een doodnormale menselijke reactie. Wie agressief benaderd wordt, zeker als dat in zijn of haar ogen, onterecht is, zal zelf ook vrij automatisch een agressieve houding aannemen en het is de vraag, of we de “verwarde mens” wel al te zeer kwalijk mogen nemen, dat hij of zij situaties niet juist in kan schatten, als dat nu juist deel uitmaakt van zijn of haar ziekte.
De “normale mens” is bang voor de onvoorspelbaarheid van de “verwarde mens”, maar de feitelijke dreiging, die schijnbaar van die “verwarde mens” uitgaat, zit maar al te vaak alleen tussen de oren van de “normale mens”. Onvoorspelbaarheid hoeft nog lang niet gelijkgesteld te worden aan gevaar. De vraag is dus ook of de “normale mens” situaties juist in kan schatten.
Ik pleit er dus voor om dreiging en gevaar als twee strikt gescheiden factoren te zien. Als iemand met een samurai-zwaard staat te zwaaien, is er zeker sprake van een gevaarlijke situatie, maar al te vaak worden dreigende situaties, die bij lange na niet allemaal ook daadwerkelijk zo gevaarlijk zijn, te snel verward met daadwerkelijk gevaar. Dat roept dan weer een breed scala aan reacties bij de “normale mens” op, die zelf weer kunnen bijdragen tot de escalatie van de gegeven situatie. Of een situatie uit de hand loopt, ligt veelal aan de omstanders, niet alleen aan de “verwarde mens” zelf.