“Ik ben gek, maar…”

(geschreven door Leendert A. Hartog)

“Gek” is een vage term. Één definitie ervan, die ik aan een online woordenboek ontleen is “blijkgevend van gebrek aan gezond verstand”. Dat lijkt een alleszins bruikbare definitie, hoewel de formulering “gezond verstand” natuurlijk wel wat vraagtekens oproept. “Gezond” is in principe namelijk net zo’n vaag begrip als “gek”. Maar laten we er voor het gemak even vanuit gaan, dat “blijkgevend van gebrek aan gezond verstand” een adequate definitie is. Er zijn momenten in mijn leven, waarin ik “blijk geef” van een “gebrek aan gezond verstand”, zeker als ik zwaar psychotisch ben. Maar er zijn gelukkig ook heel veel periodes in mijn leven, waarin het “gezond verstand” wel degelijk mijn leven bepaalt. Ik ben nog altijd vaker en langer niet-psychotisch dan wel.

De term “gek” zou dan dus enkel van toepassing zijn op die fases in mijn leven, dat ik wel psychotisch ben. Maar toch ziet mijn omgeving mij altijd als “gek”, ook wanneer ik helemaal niet psychotisch ben. Het feit, dat ik af en toe “ontspoor” rechtvaardigt in hun ogen de kwalificatie “gek” op permanente basis. “Gek” is een uiterst hardnekkig label, dat aan je blijft kleven, zelfs als je al jaren niet meer doorgedraaid bent. De definitie, die ik eerder gaf, is dus helemaal niet zo toereikend. Zelfs een tijdelijk “gebrek aan gezond verstand” blijkt voldoende om iemand voor de rest van zijn of haar leven als “gek” te bestempelen.

Een “gek” is dan dus opeens iemand, die “af en toe blijk geeft van een gebrek aan gezond verstand”. Of zelfs iemand, die slechts één keer in zijn of haar leven “blijk heeft gegeven van een gebrek aan gezond verstand”. Je raakt het label niet zo snel meer kwijt. Eens een gek, altijd een gek, lijkt het devies. Dat verklaart dan ook, waarom de meeste psychiatrische patiënten zich zo fel verzetten tegen deze kwalificatie.

De hardnekkigheid van het label staat het herstel in de weg, omdat je steeds weer opnieuw geconfronteerd wordt met het feit, dat je ooit, hoelang geleden ook, je “gezond verstand” (tijdelijk) bent kwijtgeraakt. “Ik ben niet gek!” is een veelgehoorde uitspraak van psychiatrische patiënten in hun zelfomschrijving. “Ik ben niet gek!” is al bijna een soort mantra geworden van de herstelbeweging.

Maar er is een ander en veel groter probleem met de term “gek” en die heeft niets met de strikte definitie van het begrip te maken. Wat de term “gek” zo problematisch maakt, zijn de vele negatieve connotaties, die we aan het begrip verbinden. Iemand, die “gek” is, is onvoorspelbaar, onbetrouwbaar en bovenal gevaarlijk.

De vooroordelen, die aan de term gekoppeld zijn, zijn zo mogelijk nog veel hardnekkiger dan het label zelf. Iemand, die “gek” is verklaard, wordt gezien als een “tikkende tijdbom”, die zonder een duidelijke aanleiding zo maar af kan gaan. Het is dus, vanuit dat perspectief bezien, noodzakelijk, om de “gek” altijd goed in de gaten te houden, om er tijdig bij te kunnen zijn, als hij of zij (weer eens) ontspoort. Een “gek” vertrouwen is daarom een groot probleem voor de meeste mensen.

In het licht van dit alles, is het wellicht bevreemdend, dat ik mijzelf nu juist wel “gek” noem. Mij is in de loop der jaren gebleken, dat de “ik ben NIET gek!”-strategie niet werkt, omdat mijn omgeving mij toch altijd als “gek” zal blijven zien. Volgens mij moeten we niet ontkennen, “gek” te zijn, maar moeten we het begrip juist omarmen, moeten we onszelf het begrip eigen maken en vervolgens actie ondernemen tegen de kwalijke connotaties, die aan het begrip kleven.

Door het statement “Ik ben gek!” als uitgangspunt te gebruiken, kunnen we de vooroordelen, die met “gek”-zijn geassocieerd worden, eindelijk bespreekbaar maken. “Ik ben gek, maar ik ben niet gevaarlijk!” is een mooie binnenkomer. Ik kan niet verhinderen, dat de anderen mij altijd als “gek” zullen blijven zien, hoe vaak en hoe luid ik ook mag blijven roepen niet “gek” te zijn. Maar door nu juist te beamen, dat ik inderdaad wel “gek” ben, zet ik de ander op het spreekwoordelijke verkeerde been en open ik de deur naar een mogelijkheid om eindelijk met de ander in gesprek te komen over de vooroordelen en misverstanden, die aan de term kleven.

“Ik ben gek, maar…” is een gewaagde strategie, die ongetwijfeld op weerstand zal stuiten, maar in mijn geval werkt deze aanpak al jaren verbazingwekkend goed. Door te beamen “gek” te zijn, ontneem ik de ander zijn of haar eerste munitie. Vervolgens kan ik vaak heel snel doordringen tot de vooroordelen, die mensen bij de term “gek” met zich meedragen. Ik gebruik deze strategie dan ook hoofdzakelijk , om meteen “to the point” te komen en de ander ervan te overtuigen, dat hij of zij ondanks mijn ziekte zeker niet bang voor me te hoeft te zijn.

“Ik ben gek, maar…” is een manier, om het taboe te doorbreken, dat op “gekte” rust en de term en zijn betekenis nu juist bespreekbaar te maken. Door het gesprek op deze manier in te gaan, heb ik veel geleerd over de vooroordelen en misverstanden, die de meeste mensen met zich meedragen, als de term “gek” ter sprake komt. En juist door het hanteren van deze strategie en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid om zaken al in een vroeg stadium van het contact expliciet te benoemen en bespreekbaar te maken, lukt het me steeds beter, om andere mensen te doordringen van het feit, dat ik weliswaar “gek” ben, maar bijvoorbeeld niet gevaarlijk. En dat is pure winst. Natuurlijk schrik ik er ook mensen mee af, maar dan weet ik wel meteen, dat ik me verder geen moeite hoef te doen, om verder in contact met hen te investeren.

Gek. Eigenlijk had ik al afgeleerd om mezelf zo te noemen.

(geschreven door Boudewijn Steenberg)

Gek.

Eigenlijk had ik al afgeleerd om mezelf zo te noemen.

En nu zit ik bij een organisatie die Mad Pride heet.

Gek, zo noemde ik mezelf vroeger. Toen ik 15 was, en opgenomen in het gekkenhuis. Op eigen verzoek.

En zo mocht ik het niet noemen, een gekkenhuis, en mezelf al helemaal niet gek. Maar voor mij was het een verademing, om zo naar mezelf en de plek waar ik toen verbleef te kijken. Een verklaring, voor het feit dat ik zo anders was, waarom het op school niet lukte, waarom het daar wel lukte. Ik voelde me beter, er kwam minder op me af. Waarom me zorgen maken, ik was toch gewoon gek.

Maar dat wou er dus niet in bij die mensen, en misschien maar goed ook. Ik mocht mezelf niet zo afdanken. Ik was niet gek, ik was anders, en dat maakte mij nog speciaal ook, want dan zou ik weer hele eigen kwaliteiten hebben.

Nou speciaal ben ik inderdaad, maar het positieve daarvan moet ik nog steeds ontdekken.

Volgens mij had de ggz die fase waarin ze mensen vol stopten met pillen al een beetje gehad, want mij wilden ze die niet geven. En ik wou ze zo graag, ik was gewoon gek, er zat iets verkeerd in mijn hoofd, en alleen pillen konden dat repareren. Maar dat zag de ggz anders. Misschien maar goed ook, maar ze wonnen niet echt vertrouwen bij mij door het zo anders te zien. En uiteindelijk kreeg ik antipsychotica, omdat ik onrustig in mijn hoofd was. Achteraf weet ik dat ik toen helemaal niet onrustig in mijn hoofd was, het is heel normaal voor een tiener om zich zo te voelen. Ik denk dat ze me die pillen gaven omdat ze als ongevaarlijk beschouwd worden. Zelf weet ik nu dat de balans in de hersenen heel gecompliceerd is, en geen enkel psychoactief middel als simpelweg ongevaarlijk beschouwd kan worden.

Antipsychotica bijvoorbeeld, blijken ernstige lange termijn gevolgen op algeheel hersenfunctioneren te hebben. En daar hebben ze nog niks positiefs aan kunnen ontdekken. En ik heb dat spul bijna 2 jaar lang gebruikt.

Maar veel erger is wat ik mezelf nu al 10 jaar aan doe, ik gebruik cannabis. Dagelijks. Ik ben verslaafd. Ernstig. Dat cannabis negatieve gevolgen heeft bij lange termijn gebruik hebben ze nu ook al wel afdoende bewezen. En ik bewijs dat elke dag weer aan mezelf, en dat doe ik ook, helemaal zelf.

De hulpverlening heeft mij in 10 jaar nauwelijks geholpen, en ik denk dat ze veel meer hadden kunnen doen. Voor mij, en voor mijn moeder. Maar ze begrepen ons niet. Denk ik, want ik begrijp het ook allemaal niet.

Het voelt allemaal zo oneerlijk, zo onrechtvaardig. Alleen maar omdat ik anders ben heb ik zo weinig. Ik verdien evenveel als de rest zeggen ze, maar ik krijg het niet. Ik ben 90 procent van de tijd down of in ieder geval ontevreden.

Ik probeer meer kwaliteit in mijn leven te krijgen. Ik doe mijn best, en als ik me afvraag of ik wel genoeg mijn best doe, zeggen mijn hulpverleners dat het niet aan mijn inzet ligt. Maar er voor gaan, mijn best doen, dat is heel moeilijk voor mij. Dus blijf ik me altijd afvragen of ik wel genoeg mijn best doe.

Ik heb nog steeds geen sociaal netwerk waar ik blij van wordt, ik kan nog steeds niet goed voor mezelf zorgen, en ik heb nog steeds niet echt een doel, een passie, een zingeving.

Maar ik ben niet gek.

Dus ik moest ook even wennen aan de naam Mad Pride. Want ik ben niet gek, en al helemaal niet trots op wat ik als mijn gekte beschouwde.

Maar trots heb ik wel. Een klein vlammetje van binnen. En soms wordt het aangewakkerd door iemand die om mij geeft, die mijn strijd tegen het lijden ziet, en wou dat hij wat voor mij kon doen. Die ziet hoe weinig ik vooruit ga, maar wel de lange weg die ik afleg om die vooruitgang te maken. Die ziet hoe ik alles heb overleefd, en dat ik dat nog steeds doe.

Ik wou dat ik mensen kon helpen om niet door zo’n hel te gaan als waar ik doorheen ga. Om eerlijk te zijn snap ik niet dat ik er nog steeds ben. En vaak vind ik dat ook jammer. En toch denk ik steeds meer aan leven en steeds minder aan de dood.

Ik kan wat betekenen bij Mad Pride Ik kan opkomen voor mezelf en voor anderen. Niet iedereen krijgt gelijke kansen, en dat, tenminste, verdienen we wel allemaal. Het ideaal van de welvaartsmaatschappij. En dat ideaal, daarom, zit ik bij Mad Pride.

Het maakt me niet uit hoe ziek of raar je bent. Het maakt me niet uit dat ik of anderen, jou niet begrijpen, dat we elkaar misschien niet liggen. Het maakt me niet uit wat je allemaal over jezelf denkt, wat voor verschrikkelijke dingen je zijn overkomen of misschien zelfs hebt gedaan. Het maakt me niet uit. Ik wil dat ook jij de kansen krijgt die jij nodig hebt om het leven als echt waardevol te ervaren.

Of je nou mad bent, of pride hebt, of geen van beide, wees welkom bij Mad Pride. De naam is maar een naam. Ik ben niet gek, niet trots, en ik doe zelfs mijn best om niet boos te worden. Want die gevoelens helpen mij niet. Wat mij helpt is accepteren wat ik doe, en dat langzaamaan te veranderen.

Maar ik wil wel vechten tegen ongelijkheid, en daarom ben ik bij Mad Pride.

Brief Verplichte GGZ aan Tweede Kamer

Een brief aangaande de nieuwe wet Verplichte GGZ aan de Tweede Kamerleden…

Geachte Kamerleden,

U stemt 14 februari over de Wet Verplichte GGZ. Het wetsvoorstel moet het mogelijk maken om mensen die psychisch in de knel zitten sneller gedwongen te behandelen, maar wel liefst in de thuisomgeving en alleen als vrijwillige zorg niet mogelijk is. Wij begrijpen dat de dwang ingreep proportioneel moet zijn, alleen mogelijk is onder beperkte voorwaarden, en rekening houdt met de belangen van de patiënt. Dit klinkt redelijk, maar neemt niet weg dat het huidige voorstel de rechtspositie van mensen die psychisch in de knel zitten bedreigt.

Wij zijn bezorgde burgers die wel of niet onder de noemer ‘personen met verward gedrag’ zijn gevallen, en willen u op het volgende wijzen. Deze wet:

  • doet een ernstige inbreuk op basale burgerrechten, welke ook gelden tijdens een psychische crisis, en discrimineert daarmee mensen die psychisch in de knel zitten;
  • is in strijd met de recent door Nederland geratificeerde VN-Conventie (CRPD) over de Rechten van Personen met een Handicap;
  • straft indirect armoede en jeugdtrauma;
  • heeft meer negatieve dan positieve gevolgen voor de psychische gezondheid;
  • is te gevoelig voor misbruik door familie en derden.

In plaats van ‘personen met verward gedrag’, prefereren wij de aanduiding ‘mensen die psychisch in de knel zitten’, omdat deze meer begrip en respect toont voor deze mensen en hun situatie.

Discriminatie

Een willekeurige burger hoeft niet te bewijzen dat die niet gevaarlijk is. Mits deze burger geen strafbaar feit heeft begaan, hoeft die zich geen zorgen te maken over dat de staat hen oppakt en vasthoudt. Die mag elke staatsautoriteit weigeren om hun eigen huis binnen te treden. Dit recht op vrijheid, veiligheid en eerbiediging van privéleven is vastgelegd in EVRM artikel 5 en 8. Mensen die psychisch in de knel zitten, hebben deze zekerheid niet. Autoriteiten kunnen hun huis binnentreden, doorzoeken (zie Artikel 3:2 lid f) en hen vasthouden zonder strafrechtelijke verdenking. Deze inperking van mensenrechten is alleen verantwoord als psychiatrische patiënten ook daadwerkelijk een groter gevaar vormen dan andere mensen voor de publieke veiligheid. Hiervoor bestaat echter geen bewijs.[1]

De gezondheid van deze mensen die psychisch in de knel zitten wordt ondergeschikt gesteld aan de publieke veiligheid. Zoals blijkt uit de grotere rol die toegewezen wordt aan de Officier van Justitie en de afwezigheid van vergelijkbare wetgeving voor somatische zorg. Het herhaaldelijk noemen van ‘Bart van U.’ en ‘Tristan’ in enkele voor deze wet relevante beleidsrapporten illustreert sterk het onderbuikgevoel en onbegrip van waaruit deze ingrepen plaatsvinden.

Onder ‘verplichte zorg’ valt verbazingwekkend genoeg ook het doorzoeken van de woning naar gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen (Artikel 3:2 lid f). Deze wet maakt het dus mogelijk om op basis van onbegrepen (verward) gedrag en zonder huiszoekingsbevel over te gaan tot strafrechtelijk onderzoek. Wat rechtvaardigt deze uitzondering die het preventief opsporen van ‘rotte appels’ mogelijk maakt bij mensen die psychisch in de knel zitten? Dit terwijl andere mensen met rust gelaten worden totdat het misdrijf al gepleegd is. Wij vinden dat EVRM artikel 14, het verbod van discriminatie, ook geldt voor psychische gezondheid. Daarom pleiten we ervoor dat mensen die psychisch in de knel zitten net zo behandeld worden als andere burgers.

In strijd met VN Conventie voor de Rechten van Personen met een Handicap

In 2016 heeft de Nederlandse overheid de VN Conventie voor de Rechten van Personen met een Handicap, waaronder psychiatrisch patiënten, geratificeerd. Zij zien gedwongen behandeling als mensonwaardig en pleiten voor algehele afschaffing.[2] Gedwongen opname en behandeling is in strijd met het gelijkheidsbeginsel (Artikel 5) en het recht op persoonlijke vrijheid (Artikel 14) van deze Conventie.

Straft indirect armoede en jeugdtrauma

Sociale factoren en trauma hebben een grote invloed op de psychische gezondheid. Zo stijgen de zelfmoordcijfers na harde bezuinigingen, privatisering en na een economische crisis.[3,4] Aanhoudende baanonzekerheid en werkloosheid maken depressief.[5] Basisvoorzieningen zoals huurwoningen worden steeds duurder in verhouding tot lage inkomens. Bovendien is intolerantie jegens mensen die ‘anders’ zijn nog steeds hoog, met negatieve consequenties op de psychische gezondheid.[6] Onderzoekers stellen daarom ook dat beleid op het gebied van sociale zekerheid, werkgelegenheid en huisvesting ook ‘GGZ beleid’ is.[7] Alleen al door in betere voorzieningen te investeren, zullen minder mensen psychisch in de knel raken. Door hun psychische protest tegen de bezuinigingen met dwang en medicatie te beantwoorden, geeft de Wet verplichte GGZ een autoritair en anti-democratisch signaal af. Armoede en jeugdtrauma worden indirect bestraft.

Inbreuk op basale burgerrechten

Het recht op vrijwaring van arbitraire detentie
Psychiaters geven aan dat het vaststellen van gevaar altijd een onzekere voorspelling inhoudt en dat exacte vaststelling onmogelijk is. De psychiatrische vaststelling van gevaar hangt af van de willekeurige theoretische voorkeur en onbewuste vooroordelen van de psychiater en op statistische correlaties in de bevolking.[1] Dat laatste houdt in dat personen die kenmerken dragen die binnen de bevolking geassocieerd worden met geweld (of suïcide), sneller als gevaarlijk worden beoordeeld. Het bestaan van een correlatie in de bevolking betekent nog niet dat het kenmerk zorgt voor geweld bij een concreet individu. Met het wetsvoorstel kunnen mensen sneller gedwongen worden opgenomen op basis van een moeilijk objectiveerbaar gevaarscriterium. Er is derhalve een groot risico op arbitraire en ook discriminerende detentie, in strijd met EVRM Artikel 5 en 7.

Het recht op lichamelijke integriteit
Het wetsvoorstel maakt gedwongen medicatie mogelijk, waarmee het inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit en is aldus in strijd met EVRM Artikel 3 en 5 en Artikel 11 in de Grondwet. Personen moeten zelf kunnen bepalen wat er met hun lichaam gebeurt, tenzij consent onmogelijk is, zoals in een noodsituatie. Hoewel het wetsvoorstel probeert rekening te houden met deze voorwaarden, zijn wij bezorgd dat daar in de praktijk weinig van komt. De waarborgen die het wetsvoorstel hiervoor biedt zijn vaag. Bovendien biedt de gewone medische zorgpraktijk ook al mogelijkheden voor niet-consent gebaseerde zorg in levensbedreigend situaties; zoals een patiënt die buiten bewustzijn is en daarom beademing krijgt. In de psychiatrie bestaat het risico, ook onder dit wetsvoorstel, dat door personeelstekort te weinig serieuze alternatieven voor dwang voorhanden zijn (zoals in een rustige ruimte even praten). Door onbegrip, angst, vooroordeel en werkdruk, wordt al snel aangenomen dat een psychiatrisch patiënt niet in staat is om zelf te oordelen over een situatie (vergelijkbaar met de buiten bewustzijn verkerende somatische patiënt). Het wetsvoorstel verandert niets aan deze averse sociale condities.

Het recht op zelfbeschikking
De Wet verplichte GGZ rechtvaardigt dwang wanneer patiënten niet bekwaam zijn tot een redelijk oordeel. De relevantie van de wil van de patiënt wordt ontkend en diens autonomie volledige ontnomen. Zodoende maakt het inbreuk op het recht op persoonlijke integriteit.

Het is bovendien gevaarlijk om burgerrechten af te laten hangen van een door autoriteiten gedefinieerde definitie van ‘een redelijk oordeel’. Die fout is ook tijdens het imperialisme gemaakt. Deze definitie van ‘redelijkheid’ zal altijd de dominante normen weerspiegelen en het is de vraag of zulke ongeschreven normen zo’n sterke invloed mogen uitoefenen op de vrijheid van personen. Een kernwaarde van onze vrije samenleving is juist dat mensen zelf mogen bepalen hoe zij willen leven, hoe bizar die wensen ook zijn, zolang het geen strafbare handelingen betreft. Het hebben van een ‘abnormale identiteit’ of rare voorkeuren of levensstijl moet niet gereduceerd worden tot ‘verward gedrag’: als de persoon zelf niet lijdt en derhalve geen zorg wil, is dat hun goed recht. Dit hebben we bij transgenders al begrepen. Het is een kleine stap om dit begrip te verbreden naar alle mensen die als afwijkend worden gezien.

Negatieve gevolgen voor psychische gezondheid en veiligheid

Meer dwang in de zorg zou mensen die psychisch in de knel zitten moeten helpen om de zo noodzakelijk geachte zorg te ontvangen. Toch wijst groeiend bewijs op de contraproductieve effecten van gedwongen opname en gedwongen zorg. Grootschalig onderzoek wijst erop dat (de dreiging van) dwangopname juist suïcidaliteit in de hand kan werken, zelfs daar waar mensen initieel niet suïcidaal waren.[8] Het is erg ingrijpend om te ervaren dat je wil er niet toe doet in de onderhandeling over jouw lot. Dit verlies van identiteit en controle wordt soms ervaren als erger dan sterven, waardoor (de dreiging van) dwangopname dus zorgt voor suïcidale gedachten.

Ook betwisten wij de aanname dat dwangmedicatie thuis minder ingrijpend zou zijn. Thuis zou een veilige plek moeten zijn (en is soms de enige), maar wordt door dwangmedicatie geassocieerd met intrusie.

Naast suïcidaliteit kan ook agressiviteit uitgelokt worden door (angst voor) vrijheidsbeneming, paternalistisch toespreken en dwang, ook onder mensen die normaal niet gewelddadig zijn. Niet iemands gevaarlijkheid wordt dan gemeten, maar hun reactie op dwang en autoriteit. Dit gedrag zou dus niet meegenomen mogen worden in besluiten over verdere dwang.

Gevoelig voor misbruik door familie en derden

De grotere rol die de familie krijgt (zonder noodzakelijke toestemming van de patiënt) kan de positie van kinderen uit disfunctionele gezinnen schaden. Ouders krijgen zo extra middelen om hun kind bang te maken of te straffen. Bijvoorbeeld voor het willen uiten van hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Volgens het Wetsvoorstel kan iedereen een verzoek voor dwangzorg indienen over een persoon (Artikel 5:2 lid 1). Hierdoor kan de wet misbruikt worden tegen mensen die gepest worden vanwege hun ‘anders’ zijn.

Mensen die psychisch in de knel zitten, kunnen gaan anticiperen op dwangopname en gedwongen huisbezoeken, wat een constante stressor introduceert in hun toch al zware leven. Het beheersbaar houden van deze stress wordt door anderen al snel opgevat als ‘verward gedrag’, waarmee dit een zelfvervullende voorspelling wordt. Ervaring met dwang kan ook erna nog lang doorwerken als een traumatische en stigmatiserende ervaring.

Enige verzachtende hervormingen op verplichte psychiatrische zorg zullen hoogstens cosmetische veranderingen zijn op een systeem dat geheel moet veranderen. Graag zien we een ander wetsvoorstel verschijnen dat verplichte ggz opheft en de toegankelijkheid van reguliere ggz verruimt. Alleen zo zijn de rechten van psychiatrische patiënten daadwerkelijk gewaarborgd en worden disproportionele ingrepen op individuele levens voorkómen. Wij geloven dat er in alle gevallen een vrijwillig alternatief is en vinden dat mensen het recht hebben om ‘anders’ te zijn.

Wij hopen dat u deze overwegingen in acht neemt bij het stemmen vandaag.

Met vriendelijke groeten,

Mad Pride Nederland

Ondersteund door Stichting Perceval, Doortje Kal (project Kwartiermaken en emeritus bijzonder lector Hogeschool Utrecht) en Christina Taft (Everyday Psych Victims Project)
www.madpride.nl
http://www.stichtingperceval.nl
www.kwartiermaken.nl

Bronnen

[1] Royal College of Psychiatrists (2008). Rethinking risk to others in mental health services. College Report CR150. London: Royal College of Psychiatrists.
[2] “Dignity must prevail” – An appeal to do away with non-consensual psychiatric treatment, OHCHR.
[3] Kentikelenis, A., Karanikolos, M., Reeves, A., McKee, M. & Stuckler, D. (2014). Greece’s Health Crisis: From Austerity to Denialism. Lancet, 383, 748-753.
[4] Vrije Universiteit afdeling Klinische Psychologie, Advies inzake streefcijfer suïcide.
[5] Burchell, B. (2011). A Temporal Comparison of the Effects of Unemployment and Job Insecurity on Wellbeing, Sociological Research Online, 9: 1-20.
[6] Hatzenbuehler, M.L, Phelan, J. C. & Link, B. G. (2013). Stigma as a Fundamental Cause of Population Health Inequalities. Am J Public Health, 103(5), 813-821.
[7] Professor David Stuckler, How Austerity Kills, The New York Times.
[8] Susan Stefan (2016). Rational Suicide, Irrational Laws: Examining Current Approaches to Suicide in Policy and Lawby, New York, Oxford University Press.

7 februari 2017

Een update van onze bezigheden:

We zijn contact aan het leggen met Mad Pride organisaties in (in eerste instantie) de engelstalige landen.
Volgende maand gaan we verder met het voorbereiden van de eerste Mad Pride dag, die 27 mei in Utrecht zal zijn.
De verkiezingen en de wetsvoorstellen omtrent “verwarde personen” houden ons dezer dagen ook bezig, en samen met een paar andere organisaties werken we aan een brief aan de (kandidaat) kamerleden.

Op facebook hebben we inmiddels meer dan 250 volgers.

We kunnen altijd meer hulp gebruiken. Als je geïnteresseerd bent om een steentje bij te dragen, neem dan contact met ons op (via Facebook of via de mail: info[at]madpride.nl)

Kamer tegen repressief voorstel gedwongen GGZ, maar de strijd gaat door

(geschreven door Karlijn Roex)

Een paar dagen nadat Trump zijn gedroomde muur van douane-beambten om de VS had voltooid, bouwen we in Nederland onze eigen muren. We zijn zo diep gezonken dat er zonder lach of traan een wetsvoorstel werd besproken die het mogelijk maakt om mensen buitenstrafrechtelijk tot drie dagen te detineren voor ‘observatie’. Jawel, u heeft het goed gelezen. Maar ik moet er uiteraard aan toevoegen dat deze detentie alleen voor ‘verwarde personen’ is bedoeld en eigenlijk ‘verplichte GGZ’ wordt genoemd. Dit omstreden onderdeel van de nieuwe Wet Verplichte GGZ is 2 februari door de Kamer afgewezen. Dat is natuurlijk goed nieuws voor de ‘patiëntengemeenschap en voor diegenen die zich niet als ‘patiënt’ zien ondanks een dergelijke toeschrijving. Maar er moet niet te vroeg gejuicht worden: op 14 februari zal er in de Tweede Kamer gestemd worden over andere oppressieve onderdelen van de wet, en de steun ervoor is vrij hoog.

In strijd met de rechtsstaat

Ook GZZ organisaties en veel psychiaters waren kritisch. Volgens hen houdt het voorstel een overtreding met de rechtsstaat in, omdat het vooral een inbreuk betekent op ‘de individuele vrijheid en autonomie’ van mensen. De organisaties vrezen dat met zo’n bepaling psychiatrische inrichtingen tot strafinstituten worden die ingezet worden als het strafrecht niet toereikend is. Bas van Wel, psychiater en NVvP-lid, vreesde ook dat ‘raar, vreemd of excentriek gedrag’ hiermee bestraft zouden worden (zie NRC, 2017 hyperlink https://www.nrc.nl/nieuws/2017/01/31/snellere-opname-verwarde-mensen-is-inbreuk-vrijheid-6493870-a1543902).

Ook wijzen de organisaties erop dat de wet toewerkt naar het detineren van mensen op basis van een ‘niet objectiveerbaar criterium’. Zo ontstaat willekeurige detentie. De GZZ organisaties stellen zo’n situatie in contrast met de huidige, waarin verplichte opname ‘alleen mogelijk is bij mensen waarvan daadwerkelijk is vastgesteld dat zij een gevaar vormen’ (hyperlink https://www.nrc.nl/nieuws/2017/01/31/snellere-opname-verwarde-mensen-is-inbreuk-vrijheid-6493870-a1543902).

De huidige situatie is ook al niet mals

Dat beeld van de huidige situatie is misleidend. Er is ook nu al sprake van een grote kans op willekeurige detentie, en daarbuiten ook nog eens een grotere kans om gedetineerd te worden als je toevallig arm of immigrant bent (zie mijn eerdere artikel hyperlink http://www.tijdschriftdeviant.nl/242-enge-mens-leeft-met-betwistbare-vrijheid hierover). Ook het huidige gevaarscriterium is maar in beperkte mate objectiveerbaar. Strikt gezien wordt er immers gekeken naar kansen: de kans dat iemand schade aanricht aan zichzelf of anderen op korte termijn. We willen dus in feite de toekomst vaststellen en dit kan niet. We kunnen natuurlijk wel gebruik maken van sterke observeerbare indicatoren uit het heden of verleden, maar dit gaat wel onvermijdelijk gepaard met een zekere mate van onzekerheid in de voorspelling. Zelfs in de gevallen waarin iemand recent nog agressief gedrag heeft vertoond, geldt dat er geen volledige garantie is dat toekomstig geweld zich zal manifesteren. Om de zaken nog complexer te maken: de meethandeling zelf kan ook weer haar eigen effecten hebben op menselijk gedrag. Agressief gedrag kan bijvoorbeeld ook een direct gevolg zijn van de gevaarstaxatie en de vrijheidsbenemende context waarbinnen deze plaatsvindt.

Risicomaatschappij

De gevaarstaxatie is daarnaast afhankelijk van de sociale context. In een Brits rapport geven psychiaters aan in toenemende mate belemmerd te worden in het vellen van een objectief (gevaars)oordeel. Wanneer een (ex-) patient een vreselijke moord pleegt, wijst de beschuldigende vinger bijna altijd naar de psychiater of de kliniek. Zo’n klimaat zorgt voor een prikkel onder psychiaters om sneller gevaarsoodelen uit te vaardigen. Zo stelt een Brits psychiater in een rapport (Royal College of Psychiatrists, 2008, p. 37): “Wij lokken met onze vragen ook juist het gevaarlijke gedrag uit”. Een ander stelt “Er staat een te grote nadruk op risicomanagement en persoonlijke reputatie ten koste van de patient” (p. 31).

Uiteraard maakt agressief (of suïcidaal) gedrag vlak voor de gevaarstaxatie de kans wel groter dat iemand gevaarlijk is voor de nabije toekomst. Maar een niet onbelangrijk deel van de onvrijwillig opgenomen patiënten heeft vooraf geen duidelijk agressief of suïcidaal gedrag vertoond. Statistische discriminatie, oordelen op basis van kenmerken die in de algemene populatie samenhangen met geweld, speelt een grote rol in het gevaarsoordeel. Dat is geen geheim: de psychiatrie zelf is daar vrij expliciet over (zie Royal College of Psychiatrists, 2008). Het horen bij een ‘ongunstige’ subpopulatie, hetgeen vaak groepen betreft die al onderdrukt worden in de maatschappij, verhoogt dus je detentiekans. In het strafrecht zouden we daarentegen nooit een werkloze veroordelen omdat er meer werklozen in de criminaliteitscijfers voorkomen. Naast statistische discriminatie, laat de testprocedure ook veel ruimte over voor de theoretische voorkeur van de psychiater, de rol van onbewuste vooroordelen, en de specifieke test die gebruikt wordt door verschillende instellingen (Royal College of Psychiatrists, 2008). Dus ook momenteel is ook al veel voedingsbodem voor willekeurige detentie.

Veiligheidscrisis

En nu doet de risicomaatschappij opnieuw een beroep op de GGZ. Ondanks de mogelijkheden die de huidige wet op gedwongen opname biedt om ‘gevaarlijke’ personen op te nemen, moeten we nog een stap verder. Er wordt verwezen naar gevallen als ‘Bart van U.’ en vervolgens volgt de diagnose dat de huidige wetten ons te weinig beschermen tegen zulke incidenten. Er wordt een veiligheidscrisis uitgesproken: we zijn in direct gevaar zolang deze gaten niet gedicht worden.

Dit beeld van een veiligheidscrisis is misleidend. Er is altijd een kans op nare incidenten zolang we niet in een totalitaire politiestaat wonen. Ook onder de nieuwe wet Verplichte GZZ, zelfs als het drie-dagen voorstel erdoorheen was gekomen, kunnen er fouten gemaakt worden zoals met ‘Bart Van U.’ en bepaalde mensen gemist worden. Zoals een psychiater stelt in het eerdergenoemde Britse rapport (p. 22): ‘Het publiek moet leren dat gevaars-beoordeling geen exacte wetenschap is waarmee we foutloos gevaar kunnen voorspellen’. Er worden dus onvermijdelijk ook onterecht gevaarlijke individuen ‘gemist’. Bovendien blijft er ook een risico uitgaan van ‘niet-psychiatrisch’ patienten. Ook daartussen bevinden zich moordenaars.

Mijn eigen voorspelling is dus dat de nieuwe Wet verplichte GGZ alleen op de korte termijn tot meer veiligheidsgevoel leidt. Zodra er weer een incident plaatsvindt, komen we weer een stap verder in dezelfde vicieuze cirkel van meer oppressie: de wettelijke mogelijkheden tot dwang moeten nog uitgebreider worden, of psychiaters moeten mensen eerder als gevaarlijk bestempelen.

Het gevaar een naam geven

De verleiding om een duidelijke, beheersbare naam aan het gevaar te geven is groot in onze risicomaatschappij. Psychiatrie (en criminologie) voorziet in deze vraag. Zij biedt categorisaties, indelingen en statistieken waarmee we denken we het gevaar te leren kennen, voorspellen en beheersen. Waar zijn risicomaatschappijen immers het bangst voor? Gevaren waar niet op geanticipeerd kan worden; gevaren die men nog niet zo goed kent, zo stelt de socioloog Bauman in Liquid Fear. De resterende angst vermindert wellicht, maar raakt wel sterker geconcentreerd op de ‘scapegoated’ minderheden: op ‘psychiatrisch patienten’, moslims, vluchtelingen. We gaan in feite veel meer gevaar zien vanuit deze groepen dan werkelijk het geval is, en na elk incident moet er weer een nieuwe muur bij tussen hen en ons.

Schokkende moorden die gepleegd worden onder ‘niet-verwarde personen’ worden uiteindelijk toch vaak ‘gepsychiatriseerd’: de dader had achteraf gezien toch een ‘stoornis’. Wanneer de dader een moslim is, wordt de moord ‘ge-ethniceerd’. Soms worden de twee ‘enge’ karikaturen zelfs gecombineerd: de vluchteling die tevens verward is:

RTV Utrecht:

“De problematiek wordt alsmaar groter. Van daklozen, van asielzoekers zonder onderdak, van mensen die in geestelijke nood verkeren. En er is op dit moment simpelweg te weinig geld, er zijn te weinig mensen en er zijn te weinig plaatsen. Dus een groot aantal mensen valt buiten de boot.”

En het Aanjaagteam Verwarde Personen:

Vluchtelingen. Houd oog voor de ontwikkelingen van vluchtelingen die een risico op verward gedrag vertonen en neem – wanneer nodig – extra (preventieve) maatregelen.” (Samen Doorpakken, p. 24)

Toenemend aantal verwarde personen

Voorstanders van de ‘veiligheidscrisis’-these zullen mij ongetwijfeld van repliek dienen waarin zij wijzen op het toenemend aantal verwarde mensen in de samenleving. Ik ontken deze statistieken ook zeker niet. Deze stijging komt waarschijnlijk niet doordat er te weinig mogelijkheden zijn voor gedwongen opname en behandeling, maar door bredere sociale factoren. Door de scherpe bezuinigingen (niet alleen op vrijwillige zorg maar ook op sociale voorzieningen) zijn meer mensen psychisch in de knel gekomen. Veel onderzoek (Kentikelenis et al., 2014; Stuckler et al., 2009) laat een relatie zien tussen bezuinigingen en vormen van psychische crises. Daarnaast heeft de decennialange machtsoverdracht van overheid naar bedrijfsleven gezorgd voor de economische crisis, stijgende ongelijkheid, meer baanonzekerheid en stijgende kosten van levensonderhoud (zoals huur en energieprijzen). De remedie is meer dwang, meer opsluiten en een opschorting op het fundamentele recht op een persoonlijke levenssfeer. Verwardheid op straat is de hedendaagse, wanhopige, geindividualiseerde tegenhanger van het vroegere georganiseerde protest tegen het neoliberalisme1. In dit licht is het beantwoorden van verwardheid met opsluiting en dwang autoritair en anti-democratisch.

Dwangbehandeling thuis: surveillance in de privesfeer

De 3-daagse detentie is dus van de baan. Maar er staan nog andere voorstellen op tafel die wel veel kans maken op een Kamermeerderheid: detentie met gedwongen medicatie van maximaal 18 uur, evenals het plan om mensen gedwongen te behandelen in eigen huis.

Dwangbehandeling thuis ziet er uiteraard vriendelijker uit dan in een instelling, maar detentie in een instelling is nog steeds centraal in dit beleid. Niet prima facie, maar op de achtergrond als dreigmiddel tegen verzet. Bovendien gaat dit ook in tegen het fundamentele grondrecht op een persoonlijke levenssfeer, het recht dat zojuist nog zo bezorgd door GGZ organisaties werd benoemd.

Het is nogal ingrijpend om verplicht bezoek te ontvangen van een autoriteit die jou op kan sluiten als jouw levensstijl als te deviant wordt gekenschetst. Als op basis van het verplichte thuisbezoek toch ‘geconcludeerd’ wordt dat een persoon ‘te gevaarlijk’ is om thuis te wonen, kan alsnog een verzoek tot dwangopname volgen. Dit ‘gevaarlijk’ is, wederom, moeilijk te objectiveren. Elk bezoek van de autoriteit in de privesfeer van de persoon is dus een impliciete contestering van diens vrijheid.

Met het toetreden van de huiselijke sfeer treedt de ‘surveillant’ ook toe tot de mentale wereld van de burger. Het gecontroleerde individu gaat anticiperen op de controle, en passen derhalve de gewenste gedragsaanpassingen toe. Ze zullen zich schikken naar een productief burgerleven dat zelfs ontdaan zal zijn van alle onschuldige tekens van deviantie: jointjes, studentikoze rommel, extremistische posters, een nachtelijk ritme, etc. Dit betekent dat de autoriteiten dus impliciet gaan bepalen hoe iemand zijn persoonlijke leven inricht, net als in een instelling. Het huis van de bezochte individuen is derhalve helemaal geen privesfeer meer, en dit niet alleen maar op de momenten waarop de verplichte hulpverlener daar is.

Gedwongen thuisbehandeling is daarmee een perfecte illustratie van Foucault’s centrale these dat macht steeds subtieler wordt (de kille ‘asylums’ zijn out-to-date), maar wel steeds doordringender en alomtegenwoordig. De schizofreen krijgt er een stem bij in zijn hoofd: dat van de surveillant.

Wij hebben in ons priveleven allemaal wel onschuldige dingen waarvan we bang zijn dat ze ons in een verkeerd daglicht stellen van de autoriteiten, wanneer deze uit hun verband worden gerukt. Maar als normale burgers hoeven we ons daar geen zorgen over te maken. Pas als we het recht op privacy kwijtraken, komen we erachter wat dit recht allemaal mogelijk maakt in ons leven. De gewone burger is gelukkig nog enigszins vrij van de surveillant in het hoofd. We leven aldus in twee gescheiden werelden: de ‘verwarden’ (en moslims) en de ‘normale Nederlander’, vergelijkbaar met West en Oost Berlijn, gescheiden door een muur van angst. De ene kant leeft in onbetwiste vrijheid, terwijl men aan de andere kant vreest voor huisbezoek van een Stasi. Deze andere kant weet: het grootste risico in risicomaatschappijen is dat van een overheid die steeds meer binnendringt in je eigen huis.

De strijd gaat door

Al met al is het dus nog te vroeg om feest te vieren na het Kamerbesluit van 2 februari. De strijd gaat door. Maar er zijn wel al wat handvaten voor deze strijd. Vorig jaar heeft de regering (eindelijk) het CRPD verdrag van de Verenigde Naties geratificeerd (hyperlink http://www.tijdschriftdeviant.nl/246-vn-verdrag-feest-in-eerste-kamer): de Conventie voor de Rechten van Personen met een Beperking. Dit verdrag is niet bindend, maar biedt aanknopingspunten om politieke druk op te voeren. Verder is er momenteel een discussie over het toevoegen van ‘gehandicapten’ in het antidiscriminatie grondwetartikel (Artikel 1), wat ook een belangrijk verkiezingsonderwerp is. Om de grondwet te veranderen moet er immers na een verkiezing nog een keer over gestemd worden in de Kamers. Uiteraard zullen niet alle ‘psychiatrisch patienten’ zich herkennen in het gehandicapten-label. Het verband dat ik leg is eerder een pragmatische dan dat ik hier deze diepe conceptuele discussie beoog op te lossen. De introductie van een verbod te discrimineren op basis van handicap biedt een sterk middel in de strijd voor gelijke rechten op privacy en vrijheden van psychiatrisch patienten. Internationaal zijn er bijvoorbeeld al activistische juristen die zich hier hard voor maken (zie Tina Minkowitz, 2006, hyperlink http://heinonline.org/HOL/LandingPage?handle=hein.journals/sjilc34&div=16&id=&page=). Dit komt echter te laat voor de Wet Verplichte GGZ, waar op 14 februari dit jaar al over gestemd zal worden in de Tweede Kamer.

De strijd gaat dus door. Hou hier (hyperlink https://www.tweedekamer.nl/vergaderingen/plenaire_vergaderingen/details/activiteit?id=2017A00165) de ontwikkelingen omtrent het Kamerdebat over de Wet Verplichte GGZ in de gaten.

Bronnen:

Aanjaagteam Verwarde Personen (2016). Samen Doorpakken. Op weg naar een meer

persoonsgerichte aanpak voor en met mensen met verward gedrag. Aanjaagteam Verwarde Personen: Den Haag.

Bauman Liquid Fear.

Foucault, E. La governamentalite: cours du Collège de France, année 1977-1978. Sécurité, territoire et population (4e leçon, 1er février 1978, Aut-Aut, nos 167-168, septembre-décembre 1978), pp. 12-29.

Jorissen, P. (26 april 2016). “VN-verdrag: feest in de Eerste Kamer” (Tijdschrift Deviant) http://www.tijdschriftdeviant.nl/246-vn-verdrag-feest-in-eerste-kamer

Kentikelenis, A., Karanikolos, M., Reeves, A., McKee, M. & Stuckler, D. (2014). Greece’s Health Crisis: From Austerity to Denialism. Lancet, 383, 748-753.

Minkowitz, T. (2007). The United Nations Convention on the Rights of Persons with Disabilities and the Right to tbe Free from Nonconsensual Psychiatric Interventions. Syracuse Journal of International Law and Commerce, 34(2), 405-428.

NRC (31 januari 2017). “Snellere opname verwarde mensen is inbreuk vrijheid” https://www.nrc.nl/nieuws/2017/01/31/snellere-opname-verwarde-mensen-is-inbreuk-vrijheid-6493870-a1543902

Roex, K. (9 april 2016). “De ‘enge’ mens leeft met een bewistbare vrijheid” (Tijdschrift Deviant) http://www.tijdschriftdeviant.nl/242-enge-mens-leeft-met-betwistbare-vrijheid

Royal College of Psychiatrists (2008). Rethinking risk to others in mental health services. Royal College of Psychiatrists: London.

RTV Utrecht (28 januari 2015). “PvdA vreest voor meer tikkende tijdbommen als Bart van U.” http://www.rtvutrecht.nl/nieuws/1285145/pvda-vrees-voor-meer-tikkende-tijdbommen-als-bart-van-u.html

Stuckler, D., Basu, . S., Suhrcke, M., Coutts, A. & McKee, M. (2009). The Public Health Effect of Economic Crises and Alternative Policy Responses in Europe: An Empircal Analysis. Lancet, 374: 315-23.

1 Er is niet voor niks ook een directe statistische correlatie tussen het aantal verwarden en de invoering van het kraakverbod, maar dit is een discussie voor een andere keer.